Alhoewel een ‘mason’ een steenhouwer is in de strikte betekenis van het woord, heeft die naam een ruimere betekenis, evenals dat met het Nederlandse woord ‘bouwvakker’ het geval is.
Hij, die in de steengroeve werkt en de steen uithakt, is een mason, evenals hij die de ruwe steen bewerkt tot de vereiste vorm.
Maar de vakman die versieringen in ‘freestone’ aanbracht was ook een mason.
Men kende ‘layers and setters’, werklieden, werkzaam op de bouw.
Zij werden ook masons genoemd, alhoewel hun sociale status lager was dan van de andere masons ( Bernard Jones ).
De ‘layer’ was degene die de mortel aanbracht en de steen op zijn plaats legde, waarna de ‘setter’ de steen waterpas stelde.
De symbolieke vrijmetselarij heeft die lagere status van de ‘layer’ in zijn ritus overgenomen door de werktuigen van de steenhouwer: hamer en beitel, een hogere plaats in de ritus te gunnen dan het werktuig van de layer: de troffel.
Omdat het woord ‘mason’ zo veel beter de pluriforme betekenis van de toenmalige Engelse bouwvakkers aangeeft dan het beperkte woord ‘steenhouwer’, wordt die naam hier gebruikt.